In de zomer van 1954 besloot ik als pre-candidaat meeloper met de ouderejaars Han Varenkamp mee te gaan naar zijn doctoraal veldwerkterrein in Corsica. Ik was namelijk buitengewoon afgunstig op mijn jaargenoten Roel Murris, Ewoud Bon en Harry Kleyn die hun candidaats examen al hadden gedaan en voor hun candidaatskartering naar de Franse Alpen gingen. Varenkamps veldwerkgebied lag in een flink geaccidenteerd stuk van het Tenda gebergte. Hercynicum met Alpiene overschuivingen; de hele rimram: Hercynische granieten, Schistes Lustrées, peridotieten, glaucofaanschisten, conglomeraten. Het was het promotieterrein van Henk Kraft geweest die daar kinderverlamming had gekregen en van Professor Brouwer op een terrein niet meer mocht promoveren.
Varenkamp had alle kaarten van Kraft gekregen zodat hij goed beslagen ten ijs kwam.
Het centrale berggebied van Noord Corsica was toentertijd zeer achtergebleven. Je vond er vrijwel ontvolkte, armoedige dorpjes waarvan de mannelijke bevolking seizoenswerk verrichtte op het Franse vaste land. Merendeels vrouwen en kinderen bevolkten het gebied. Verder waren er schaapherders, die met hun kleine schaapjes, de brebis, de schapenmelk voor de vervaardiging van de Rockefort op het vasteland voortbrachten, nog wat gepensioneerden, wat rijke landeigenaren en enkele fonctionaires.
De schaapherders stonden in een bijzonder kwaad daglicht bij de landeigenaren en de gendarmes omdat ze op grote schaal de schamele begroeiïng, de maquis, manshoge heideachtige struiken, in de brand staken. Hierdoor groeide er een jaar later in de lente voor hun schapen wat gras tussen de spookachtige verkoolde maquisresten.
Wij kwamen 's nachts met een aftanse bus na een tocht van ruim vijf uren vanaf de havenstad Bastia in Santo Pietro di Tenda op het terrein van Varenkamp terecht. Die bus schroefde zich eenmaal per dag langs gevaarlijke smalle wegen het steile gebergte in. - Voor het vertrek had ik met gemengde gevoelens de tot op het canvas versleten banden van de bus bekeken die met boutjes vastgezette stukken autoband waren versterkt -.
Santo Pietro di Tenda was het eindpunt en we stapten voor een café uit. We besloten daar naar binnen te gaan om naar een nachtverblijf te informeren. Het was een sombere, donkere ruimte met een lemen vloer en een met gordijnen afschoten hoekje waar de familie van de café eigenaar huisde. De localiteit was gevuld met ongunstig uitziende mannen die Pastis dronken. Er viel een doodse stilte toen wij binnenkwamen, een stilte die ik wist te doorbreken door luidkeels voor alle aanwezigen een rondje te bestellen. De spanning was gebroken er volgden meer rondjes van ons en ook van de aanwezigenen. We werden geleidelijk in de kring opgenomen en we zongen met een van de mannen mee die met tranen in zijn ogen en stem "Lach dan Paljasso" te berde bracht. We vertelden dat we "étudiants" waren die de gesteenten moesten bestuderen. Iedereen wist wel plaatsen aan te wijzen waar goud kon worden gevonden. Na talloze rondjes kregen we toestemming onze tenten op een veldje met amandelbomen voor de kroeg op te stellen. Water was er niet maar dat konden we aan de source aan de rand van het dorp krijgen.
Later bleek dat het de kroeg was waar voornamelijk de herders kwamen zodat we direct in een kwaad daglicht stonden bij de landeigenaren, de gendarmerie en de dorpspastoor.
Iedere dag trokken we het gebergte in en na een paar uur was je al door je watervoorraad heen zodat we onze route zo veel mogelijk van source naar source lieten lopen. Sommige bronnetjes bestonden uit een vochtig stijlwandje, groen van de algen, waar je met stokjes ligusterblaadjes vast kon zetten die tuitjes vormden waarlangs het water in je veldfles druppelde. Gevaarlijk werd het als de herders net een stuk waar wij doorheen trokken in de fik hadden gestoken. Enkele malen hebben we voor ons leven moeten rennen.
Er was ook een dal waar een grote stier vrij rondliep tot grote angst van Varenkamp. Varenkamp wilde dit stuk altijd vermijden maar de omweg was vermoeiend omdat dan enkele extra pukkels moesten worden genomen. Dus speurde ik dan eerst met mijn oude veldkijker van de KK Östereichische Armee het landschap af op de aanwezigheid van de gevreeste stier.
Een maal waren we weer, na eerst door een maquisbrand bijna te zijn ingesloten, het door Varenkamp zo gevreesde gebied betreden. We waren er al grotendeels doorgetrokken toen hij in de verte toch de stier meende te ontwaren. Ik pakte de veldkijker.
![]() |
Varenkamp vroeg gespannen: "Wat zie je ?" Ik zei, dat ik in de verte achter struiken een stuk rundvee zag. Angstig vroeg Varenkamp: "Heeft hij kloten Verschure ?" Ik zei: "Ja, Han, hij heeft kloten, maar wat erger is, ik kijk recht in de veldkijker van een van een met geweren bewapende groep kerels. Die denken waarschijnlijk dat wij die maquisbrand hebben aangestoken". Varenkamp wilde meteen wegrennen voor de stier èn die gewapende landeigenaren. Ik wist hem te overtuigen dat dat het stomste was dat we konden doen omdat we dan verdenking op ons zouden laden. "Recht er opaf", zei ik, "niet bang zijn voor die stier. Kijk wat je in je hand heb Han, één mieuw met de punt van je Estwing op die stierenschedel en het beest is niet meer".
Toen we bij de mannen waren aangekomen vertelden we dat we ternauwernood aan de vuurdood waren ontsnapt en we vroegen hun enigszins verwijtend waarom ze hun gebied niet beter in de gaten hielden. Ja, ze zaten net achter een herder aan die ze wel eens mores zouden leren. Uit de flessen die ze in hun musette bij zich hadden kregen we een paar neutjes zelfgestookte mare en een paar schijven droge worst. Ook zij wisten wel wat goud te vinden èn, "un peu de nitrate".
Ik neem het Han Varenkamp nog steeds een beetje kwalijk dat hij in zijn proefschrift met geen woord vermeldde dat hij tijdens zijn eerste veldwerkzomer een meeloper had gehad. Zelfs de geologische foto's, waarop ik als reposeur had gediend - nog wèl in zijn doctoraal verslagen te bewonderen - had hij voor zijn proefschrift overgemaakt, zonder mijn afbeelding er op !
Rob Verschure