Portier Schaap van het Geologisch Instituut op de Nieuwe Prinsengracht 130 sprak, toen ik op een mooie lentedag van 1956 "Het Instituut" binnenkwam, fluisterend en op een gespannen, samenzweerderige toon, alsof hij mij iets noodlottigs moest meedelen: "Meneer Verschure, mevrouw Stam heeft naar U gevraagd. Of U even bij haar langs wilt komen!". En daar ging ik dan, enigszins nerveus, omdat het waarschijnlijk betekende dat de Hoogleraar Algemene Geologie en Petrologie, Hoogleraar Directeur van het Geologisch Instituut, Professor Dr. Ir. H. A. Brouwer, mij wilde spreken. En inderdaad, mevrouw Stam, Brouwers secretaresse, deelde mij mee dat de gevreesde man mij en mijn jaargenoot Bert Barkey, voor een onderhoud op zijn eerstvolgend spreekuur had ontboden. Brouwer was in die tijd een autoritair en geducht man met uiterst conservatieve meningen en de daarmee verbonden opvattingen over rangen en standen in de maatschappij. Zijn studenten sprak hij immer met "heren" aan en zijn ondergeschikten bij de voornaam. Hij straalde een dermate, vanzelfsprekende autoriteit uit dat zelfs zijn hooggeleerde collega's hem nimmer tutoyeerden maar hem, en dit was al een overwinning voor hen, met "meneer Brouwer" aanspraken. Hij was echter ook een van die begiftigde leermeesters die onvergetelijke, briljante colleges gaven, hun gehoor altijd ademloos wisten te boeien en hierdoor studenten wild enthousiast voor hun vak wisten te maken. Voor vrouwen straalde Brouwer een onweerstaanbare charme uit, maar voor mannen kon hij zeer ongemakkelijk zijn. Enkele van zijn assistenten knoopten zelfs, als hij ze aan de huistefoon riep, met onzekere handen hun colbertje dicht en trokken hun stropdas recht. De Instituutsbedienden gedroegen zich als dienaren van een oosters potentaat. Zij knikten onderdanig, beaamden en verlieten, als zij hun opdrachten hadden gekregen, achterwaarts lopend zijn werkkamer. Mevrouw Stam was, samen met Tjon Appian, de bibliothecaris, een van de weinigen die onbevangen met hem omgingen. Brouwer waardeerde merkwaardigerwijs degenen die niet slaafs bang voor hem waren. Het leek ook of hij zijn studenten ertoe wilde brengen hem te weerstaan in woord of optreden en met hem een steekspel aan te gaan. Hij lokte dit uit. Waarschijnlijk was het van hem een bijzondere wijze van opvoeding om je minder kwetsbaar te maken.
Brouwer was in die tijd een markante, lange, magere man met zeer kortgeknipt, dun, grijs haar, een benige smalle schedel, gegroefde gelaatstrekken, staalgrijze, doorborende ogen in holle kassen, een hoekige kaak met ingevallen wangen, een scherpe, havikachtige neus boven een mond met dunne, samengeknepen lippen. Zijn stem was scherp en krakend. Men kon zijn misnoegen aflezen aan de mate waarop de lippen waren samengeknepen. Een hele erge gaffe van een student werd door hem steevast becommentariëerd met een hartgrondig en afkeurend "Bon Dieu !", een overblijfsel uit zijn Parijse studietijd onder Lacroix, zijn beroemde leermeester. Brouwers befaamde afwijkende klemtoon op de tweede lettergreep van het woord "serie", ook een franse erfenis, was door àl zijn leerlingen van alle jaren overgenomen en kenmerkte generaties lang Amsterdamse geologen. Brouwer was, toen dit speelde, de zeventig al gepasseerd en pas een paar jaar tevoren waren studenten zo stoutmoedig geworden om andere hoofdvakdoctoraalrichtingen dan algemene geologie te kiezen. Zij verlieten het zinkende schip.- Brouwer was in die tijd voor zijn jaren uitzonderlijk fit en liep menigeen op excursies eruit -. Hij liet niet na zijn misnoegen over dit verraad te laten blijken en vond de afvalligen maar een stelletje slappelingen om "hulpvakken" als hoofdrichting te kiezen. Ik had mij uit een soort loyaliteit opgegeven voor het hoofdvak algemene geologie en dit hield in dat ik voor Brouwer mijn doctoraalkartering zou gaan doen. Mijn keuze was echter ook ingegeven door het feit dat de berichten van de hoofdvakkarteerders voor die andere richtingen ongunstig waren geweest; slechte terreinen en onzekere leermeesters waar weinig van uitging.
Op het afgesproken uur diende mevrouw Stam ons, beide in nette pakken gestoken, aan. Zèlf op zijn deur kloppen was uitgesloten. Wij traden binnen in de schemerachtige, grote, somber aangeklede werkkamer alleen opgevrolijkt door wat oude, vage foto's van eens beroemde, merendeels vergeten geologen, officiële congresfoto's uit vervlogen tijden, indische souveniers, wajangpoppen, krissen, rijstkokers, aan de wanden gedrapeerde, gebatikte lappen en vage schilderingen van dessa's en vulkanen, alles overwegend in donkere, sepiaächtige kleuren. De hele kamer had iets donkerbruins en er hing een eigenaardige zware, zoetige lucht, een mengsel van boenwas en oude houten kasten. Deze geur heerste ook in de bibliotheek van "Het Instituut". - Ik werd vijfendertig jaar later nog overstelpt met door die geur opgewekte herinneringen toen ik merkte dat die onmiskenbare geur met de bibliotheekboeken mee was gekomen naar een magazijn van de VU. - De oude, verdiept in zijn papieren, groette ons met een kort handgebaar zonder op te kijken. Zitten gaan was nicht im Frage. Slechts op tentamen mocht je op een ongemakkelijke stoel aan een laag, rond tafeltje plaatsnemen. Op eerbiedige afstand, schuin achter hem, stond Roel Murris, die pas enige weken daarvoor assistent bij hem was geworden. "Heren", sprak Brouwer toen hij een stuk had uitgelezen, "ik vernam dat u beiden, als enigen dit jaar helaas, voor de algemene geologie als hoofdvak hebben gekozen. U hebt een goede keuze gemaakt. Meneer Verschure, U hebt met de heer Varenkamp op Corsica meegelopen, zoudt U niet op Corsica willen karteren?". Als er één ding was dat ik niet wilde, was het om nogmaals in dat godvergeten, verlaten, droge Tenda gebergte te moeten rondwaren. Die eeuwig brandende zon, de hitte en het vrijwel totale gebrek aan drinkwater van die streek, het armoedige verblijf in schamele tenten, de honger, de angst weer te worden ingesloten door de regelmatig door de herders aangestoken maquisbranden daar, maar vooral die zengende dorst, wilde ik tot iedere prijs ontlopen. Bliksemsnel ging het door mij heen dat als ik nee zou zeggen en vertellen dat ik liever in Lapland zou willen werken de oude mij zeker naar Corsica zou sturen. Ik sprak dus: "Ja, professor, dat lijkt mij buitengewoon interessant". "Meneer Verschure, Corsica is zeer zeker geologisch buitengewoon interessant, maar toch dacht ik dat een terrein in Lapland voor U instructiever zou zijn. U weet, ik heb veel gereisd en ik kan U verzekeren dat de schoonheid van het landschap van Lapland het meest door mij wordt gewaardeerd. Men kan bovendien in de geologie niet genoeg nieuwe ervaring opdoen, geologie is een ervaringswetenschap. Het is daarom dat oude geologen het in het geheel niet, zoals oude wiskundigen, de minderen van jonge geologen zijn". - Brouwers oudere broer was de wereldberoemde mathematicus L. E. J. Brouwer, de man van de onbegrijpelijke intuïtieve algebra. Beide broers waren hoogleraar en stechelden eeuwig, zelfs tijdens plechtige promoties waarbij L. E. J. door zijn broer was geroepen om een te gering aantal leden van de promotiecommissie op te helpen krikken. - Hij wendde zich naar Barkey. "Meneer Barkey, U wilde ik óók naar Lapland zenden. Meneer Murris zoudt U beiden graag twee terreinen laten bewerken die aan het zijne grenzen maar ik ben tot het besluit gekomen dat ik slechts één van U in het gebied ten noordoosten van zijn gebied in Zweden zal laten werken. Dit is een terrein dat ik sinds 1936 geaarzeld heb uit te geven omdat het voor een deel hoog, voor een deel moerassig en zeer slecht bereikbaar is en bovendien totaal verlaten. Meneer Murris die, zoals U weet, vorig jaar in Zweden karteerde, heeft mij echter verteld dat nu aan de uiterste zuidelijke begrenzing ervan een stukje weg is aangelegd. Het andere terrein dat de heer Murris voorstelde vormt een verbinding tussen het terrein van de heer Murris en het gebied waar de zweedse geoloog Beskov Silurische graptolieten heeft gevonden. Ik heb toch besloten dit gebied dit jaar niet uit te geven en aan één van Uw beiden een ander terrein in Noors Lapland, vierhonderd kilometer noordelijker, binnen de poolcirkel, uit te geven. Het is een buitengewoon geaccidenteerd gebied waar U beiden als goede klimmers eer mee in zoudt kunnen leggen. Ik heb Uw beider beklimming tijdens de laatste Zwitserlandexcursie van de Eggishorn zonder touwen of andere hulpmiddelen gadegeslagen en dacht dat de uitgave van dit terrein aan een van U ten volle verantwoord was. Een van de steilste bergen hier met hellingen van zestig, zeventig graden is wel de Solvågtind, een gletscherspoor net als de Matterhorn, maar minder hoog. Van één zijde is hij wel te beklimmen. Uw voorganger in dit gebied, meneer Scharrer, heeft het karteren er minder goed afgebracht dan ik hoopte en daarom geef ik het nogmaals uit". - Het was duidelijk, Murris had zijn spelletje om zijn jaargenootjes als nabij gezelschap te krijgen, verloren.- "Wel heren, om snel tot een beslissing te komen lijkt het mij het beste dat U loot om deze terreinen. Ik stel voor hiervoor een munt op te werpen. Kop, het noorse terrein, munt, het terrein grenzend aan dat van de heer Murris". Barkey mocht kiezen, koos kop en kreeg het noorse terrein. "Heren, dat is dan geregeld, U moet mij nu excuseren, ik ben zeer gepresseerd. De heer Murris zal U wel op de hoogte brengen van een en ander. A propos, ik ben dit jaar niet in de gelegenheid om U in te leiden en te contrôleren. Zoals U weet vindt er dit jaar een geologisch congres plaats in Algiers dat ik zal bezoeken. Voordat ik het vergeet, meneer Verschure, de heer Murris zal U inleiden en contrôleren. Meneer Barkey, ik heb de heer Steenken opgedragen om U in het noorden dit jaar in te leiden en te contrôleren". Brouwer trok een stapel papieren naar zich toe ten teken dat het onderhoud was beëindigd en voor dat we het goed beseften stonden we weer buiten de deur.
Murris vertelde, toen wij op de gang buiten gehoorsafstand waren, dat hij de oude niet tot andere gedachten had kunnen brengen en dat het verdomd jammer was dat we geen gezelligheid aan elkaar zouden hebben. Hij wist dat er van het gebied ten noordoosten van hem helaas alleen maar een soort wandelkaart 1 : 250.000 beschikbaar was en dat het voor het grootste deel door een lang, breed meer, het Tängvattnet, van zijn terrein was gescheiden. Voor het noordelijke gebied in Noorwegen bestond er wèl een topografische kaart schaal 1 : 50.000, ajour gebracht in 1890. Iedere berg was hierop, zoals dat in die dagen gebruikelijk was, als een ster aangegeven en de dalen en rivieren als streepjes. Verder schenen er op deze kaarten ook hele dalen te ontbreken, zodat karteerders vaak dagenlang radeloos bleven rondwaren.
Het was duidelijk, er was geen terug, het grote avontuur was begonnen.
Een jaar later, in 1957, werd ik weer bij Prof. Brouwer ontboden, ditmaal alleen. Op het afgesproken uur diende Mevrouw Stam mij aan, na een klop op de deur van de werkkamer van de gevreesde man,.met een "Professor hier is de Heer Verschure". De ontvangst was anders dan die van een jaar geleden. Brouwer rees op van achter zijn bureau, liep op mij toe en gebaarde mij vriendelijk plaats te nemen in de stoel voor de tentaminandi. Voor zichzelf schoof hij een gemakkelijke leunstoel aan. "Mijnheer Verschure", begon hij, "ik wilde U vragen om mij een dienst te verlenen. Zoals U weet heb ik bericht van de heer Kisch ontvangen dat hij in Oslo is bestolen van zijn gehele bagage en ik wilde U vragen om deze hamer", hij drukte mij een Estwing in de handen, "een van die moderne, afschuwelijke hamers waarvoor iedere geoloog zich zou moeten schamen, bij hem te bezorgen. U weet, de heer Kisch karteert te zamen met de heren Schaar en Zwartkruis dit jaar voor het eerst, in Midden Noorwegen". - Het schoot door mij heen dat dit voor mij een flinke omweg zou betekenen, via de berucht slechte noorse "grusvei", kronkelende, onverharde met steenslag bestrooide zandwegen. In die dagen had alleen nog maar het rijke Zweden geasfalteerde doorgangswegen. De grusvei waren het schrikbeeld voor automobilisten en vooral voor motorrijders, de gaten in het wegdek en de wasborden waren berucht. Weliswaar kwamen van tijd tot tijd enorme schaafmachines de allerergste kuilen vullen en de vreselijkste wasborden afschrapen, maar daarna bestond de weg uit een soort zandbak. Iedere passerende auto deed een dichte stofwolk opwarrelen met geniepig opspattende scherpe steentjes. Motorrijders zagen er na regenval uit als lemen poppen en als zij afstegen bladderde de gedroogde modder knisperend van hen af. - "Mijnheer Verschure ik weet dat U gemotoriseerd bent, een motorrijwiel ditmaal naar men mij vertelde, en het moet voor U niet veel uitmaken of U Uw weg naar Uw terrein door Noorwegen dan wel door Zweden kiest. Ikzelf ben meer gecharmeerd van het Noorse landschap met zijn indrukwekkende fjorden, zijn Caledonische gebergteketen met diep ingesneden glaciale dalen en zijn heerlijke uitzichten dan van het Zweedse dichtbeboste, glaciaal vervlakte gebied. Ja, het Noorse landschap is van een woeste schoonheid. Ik benijd U ! Kijk," en hij trok een opengeslagen atlas die op het tafeltje tussen ons in was klaargelegd naar zich toe, "ik zou U aanraden via Oslo deze weg te volgen", - zijn benige wijsvinger volgde even een bibberige wegindicatie in de richting van Trondheim - "naar Væktarstua hier, waar Uw collega's zich ophouden. Voor ik het vergeet Mijnheer Verschure, ik heb hier nog een paar rubberen laarzen staan, zou U die voor mij naar Væktarstua willen meenemen. Ik reis per vliegtuig en U weet, de hoeveelheid bagage die is toegestaan zonder exorbitante extra kosten, is uiterst gelimiteerd. Ook de laarzen pakte ik aan en voor dat ik het besefte stond ik weer op de gang.
In de week die op dit onderhoud volgde, de week voor mijn afreis, geschiedde een ramp. Er was iets binnen in het carter van mijn Jawa losgeraakt dat in het binnenste was vermalen en aan de buitenkant allerlei kleine bulten had veroorzaakt. Een reis van meer dan 1500 kilometer leek volgens geraadpleegde deskundigen niet verantwoord. Ik was gedwongen per trein naar mijn karteergebied in Zweden te reizen. De hamer en de laarzen naar Væktarstua te brengen was uitgesloten. Ik stond die week weer in de kamer van Professor Brouwer met de hamer en de laarzen van de Oude. Toen hij de reden van mijn visite vernam was hij niet meer vriendelijk zoals de vorige keer en hij zei: "Mijnheer Verschure wij hebben de afspraak gemaakt dat U mijn laarzen en de hamer voor Mijnheer Kisch zou wegbrengen en ik verwacht dat U Uw woord gestand doet". Het wijzen op mijn precaire financiële situatie, die niet gedoogde dat ik de omweg per trein en bus zou maken, wuifde hij met een korzelig handgebaar weg. "Mijnheer Verschure, dit onderhoud beschouw ik als geëindigd, à propos, ik laat U wel weten wanneer U mij voor contrôle in Zweden kunt verwachten. Ik kan niet langer dan een dag bij U blijven". Weer stond ik buiten met de laarzen en de hamer.
Omdat ik al mijn geld in de aankoop van de 1947 Jawa had gestoken was de omweg per trein en bus uitgesloten. Ik moest de reis dus wel met het krakkemikkige motorrijwiel wagen. Ik had ook vernomen dat Brouwer er zich zeer ontstemd over had uitgelaten dat ik het bestaan had de afspraak met hem te willen verbreken. Hij had gezegd dat die Meneer Verschure beter economie had kunnen gaan studeren.
Een week later vertrok ik, schweren Herzens. In Hamburg maakte ik 's nachts een lelijke smak bij een rempartij op door regen spiegelgladde kinderhoofdjes. De koplamp was beschadigd en ik moest op het daglicht wachten. In een park wikkelde ik mij in mijn duitse SS officiersregenjas, oorlogsbuit, met het modieuze zwarte ribsfluwelen kraagje en probeerde onder een bank te slapen. Het bankje bood weinig bescherming tegen de regen. Een paar maal schrok ik wakker als een politieman mij met een trap in mijn rug wekte om te vragen of ik een landloper was. De volgende dag, bij het eerste daglicht, ging ik verder. De motor bleef lopen en via het eindeloze Denemarken en een pont over het Kattegat bereikte ik Oslo. Het bleef regenen. Even buiten Hamar hield het asfalt op en de grusvei begon. Mijn snelheid bleek op een pas geschaafd stuk te hoog en wéér ging ik onderuit. - Het gruis zat tot in de punten van mijn motorhandschoenen en mijn bagage lag over tientallen meters verspreid, deels in een beek. Tijden ben ik bezig geweest de afgedreven linker laars van Brouwer met een boomtak weer op de kant te krijgen -. Ik bereikte na een paar dagen toch Væktarstua en deponeerde daar de hamer en de laarzen. Op de tolweg naar Væktarstua, niet meer dan een gebulldozerd pad over het kale fjäll, brak nog mijn bagagedrager. Na noodreparaties met touw en ijzerdraad ging het verder naar mijn 600 kilometer verder gelegen terrein in Zweden.

Prof. Dr. H.A. Brouwer op 29 juli 1957
Het karteren verliep voorspoedig en de motor bleef goed. Naarmate de dag naderde dat Professor Brouwer zou komen om werd ik nerveuzer. De Oude had de roep dat hij tijdens contrôles zeer ongemakkelijk kon zijn als er ook maar iets was dat zijn misnoegen wekte. Brouwers assistent Murris had mij al gewaarschuwd "In godsnaam, offreer hem geen "kokekaffe" - het koffiebrouwsel dat dagenlang op Zweedse en Noorse boerenfornuizen staat te pruttelen - "hij krijgt er maagpijn van. En denk eraan, de dag is grondig verpest als je hem tijdens het ontbijt vis uit het meer voorzet. Bij mij is hij van die graterige vis vreselijke beroerd geweest. Maak de mensen waar je woont duidelijk dat Brouwer graag in mollige vrouwenarmen knijpt maar daar verder niets mee voorheeft. Zorg vooral ook voor een goede slaapplaats, als hij slecht geslapen heeft is er geen land met hem te bezeilen". Op een middag, toen ik na een velddag terugkeerde zag ik van verre al op het fjäll de zoon van de familie waarbij ik woonde naar mij toerennen. Heigend en bezweet overhandigde de jongen mij een vodje papier, een met de hand geschreven telegram. - Een telegram betekende in die streken altijd iets noodlottigs en daarvoor had hij het fjäll bestegen, iets wat Zweden in deze streken alleen 's winters deden om op sneeuwganzen te jagen - Het telegram bevatte slechts één zin: "Arrive thursday Hemåvan bus from Umbukta Brouwer". Het was zover, twee dagen had ik nog. Ik besloot de zaak meticuleus op te zetten. Alle mogelijkheden moesten worden ingecalculeerd. In Hemåvan maakte ik in mijn slechte Zweeds een moeizame, losvaste afspraak in een vrijwel verlaten skihotel. Ook maakte ik een dergelijke afspraak met een taxichaffeur. Allen waren wat korzelig omdat ik ze geen zekerheid kon geven. Voor het geval dat de Oude niet in het hotel wilde overnachten en ook niet per taxi naar mijn onderkomen wilde reizen monteerde ik een opblaaskussen op de gammele bagagedrager. Ik schafte enige malse biefstukken aan en ook een doos eieren. De boerin waarschuwde ik voor het vaak slechte humeur van de "gammal professor" en ook voor zijn charmes. De beste kamer werd ontruimd en voorzien van het meest comfortabele bed. Geologisch wapende ik mij met een fraai ingekeurde netkaart, dagboeken en een collectie kenmerkende gesteenten uit mijn gebied. Voor dag en dauw stond ik bij de bushalte om de enige bus uit Umbukta, aan de Noors-Zweedse grens, niet te missen. De bus arriveerde, géén Brouwer. Ik vroeg de chauffeur of hij misschien een oude man met wit haar had gezien, "gammal mannen med kvit hår". De chauffeur barstte in verwensingen uit, ook de passagiers begonnen opgewonden te kakelen. De chauffeur vertelde dat er een oude vreemdeling, een paar kilometer terug, plotseling aan zijn stuur had gerukt en hem had gedwongen te stoppen. In paniek reed ik als een razende naar de aangegeven plaats en jawel, daar stond een hoge, magere gestalte in de ochtendmist. Daar was Brouwer, in de verlatenheid, met zijn versleten reistas langs de kant van de weg, zijn geliefde oude veldhoed op. Brouwers humeur leek allerslechtst "Waarom was U niet op tijd op de afgesproken plaats Mijnheer Verschure ?" "Professor ik heb bij de bushalte op U gewacht" "Dat is de bushalte niet, de bushalte is hier, hier op deze plaats. Die onhebbelijke buschauffeur was al even eigenwijs als U. Hier wachtte Mijnheer Haites altijd op mij" - Haites was ver voor de oorlog gepromoveerd - "Professor U zult wel een beetje verreisd zijn, ik heb een goede kamer in het Hemåvan Hogfjäll Hotel voor U besproken". "Ik wil niet in een hotel, ik wil meteen naar Uw terrein dan kunnen wij nog van de middag profiteren". "Uitstekend Professor, ik zal onmiddellijk een taxi laten voorrijden, dat is confortabeler dan de geïmproviseerde zitplaats op de bagagedrager die ik U kan bieden". "Mijnheer Verschure ik zie niet tegen een rit per motor op, brengt U mij met Uw motorfiets naar Uw onderkomen dan verliezen we verder geen tijd". Halverwege klapte het opblaaskussen door een duik in een diepe kuil, maar Brouwer gaf geen krimp. De ontvangst verliep naar wens, Brouwer was allercharmantst voor de aardige, goedlachse boerin, die ons al met "kaffe" en "kake" stond op te wachten. Ik waarschuwde voor de kookkoffie en ik vertelde hem dat ik hiervan altijd een nare maagpijn overhield. "Onzin, Mijnheer Verschure, de Noorse koffie is heel goed, ik begrijp niet dat U hierover klachten heeft. Een geoloog moet van de producten van het land kunnen leven". Met welbehagen dronk hij zijn koffie en genoot van het gebak dat de boerin voor hem had gebakken. "Heerlijk, heerlijk, zeg dat maar tegen haar". De boerin straalde. Ik sprak over de ellendige kamer met het slechte bed die hem wachtten. "Mijnheer Verschure, U doet niets dan klagen, een slechte eigenschap, ikzelf heb nooit last van een hard bed of andere ongemakken tijdens veldwerk, ik kan bij wijze van spreken overal slapen". Na de maaltijd trok de Oude zich terug voor een kort dutje en gelastte mij hem stipt over een uur te wekken. Hij wilde meteen die middag het veld in. Het gemakkelijke middagprogramma dat ik ook had ingecalculeerd, langs fraaie, verse wegontsluitingen, leek succesvol en zijn humeur verbeterde. Het avondeten beviel hem en hij weigerde de biefstuk te laten klaarmaken toen ik waarschuwde dat de vis, een miezerig soort zalm, maar uiterst smakelijk, hier niet te eten was, zei hij: "Mijnheer Verschure ik ben dol op zoetwatervis, ik wìl die vis". Zelfs het grote bord havermoutpap toe, met koude romige melk van de enige koe erover, liet hij zich goed smaken, hoewel ik zei dat het als een steen op de maag lag. Ook de eigenaardige Laps-Zweedse gewoonte dun gesneden geitenkaas en fijne sneetjes gerookt rendiervlees in de bittere, zwarte koffie te dopen volgde hij na, ondanks mijn dringende waarschuwingen. Hij wenste vroeg het bed op te zoeken, maar eerst wilde hij weten wat ik hem de volgende dag zou laten zien. Er was één plaats, een wandeling van een kilometer of tien door moerassen en over beken die altijd volgelopen laarzen opleverden, waar ik hem absoluut niet wilde hebben. Geologisch was de zaak er erg gecompliceerd en ik was er nog niet uit. Een andere plaats was dichterbij met geologische spektakels die hem zeker enthousiast zouden maken en waar ik bovendien in detail had gekarteerd. Ik voelde dat als ik hem deze plaats zou aanbevelen, hij, zonder aarzeling, de andere zou willen bezoeken. Ik sprak dus op mijn geologische kaart aanwijzende "Professor het liefst zou ik U dit stuk - de plaats waar ik hem liever niet naar toe bracht - laten zien, het alternatief - de plek waar ik hem naartoe wilde hebben - ligt hier en is veel minder spectaculair. De Oude keek mij lang en vorsend aan en koos toen voor de tweede plek. De volgende ochtend - god zij dank regende het niet - vertelde Brouwer dat hij uitstekend had geslapen. Hij had niets dan lof voor de koffie, het zelfgebakken knäckebröd, met de zelfgekarnde, zoute boter, de gebakken aardappels - daar tot groente gerekend, nooit zag je iets op je bord dat echt groen was - met de piepkleine, graatrijke zalmpjes, de "röding". De zelfgemaakte, yoghurtachtige "filmjölk" verleidde hem tot het gebruik van enige extra porties. Het lunchpakket werd samengesteld, koffie in een veldfles gedaan en daar gingen wij. Mijn uitleggingen, steeds aan de hand van aanwijzingen met een scherp gepunt potlood op de veldkaart en nooit met die wijdse armgebaren die tegenwoordig zo in zwang zijn, schenen hem te bevallen. Op een zeker moment, na een steile klim, droeg hij mij op een schets te maken van een interessante ontsluiting. Ik opende mijn kaartentas en bood hem zwijgend eerst een fotografie van deze ontsluiting en later nog de bijbehorende schets aan. "Goed Mijnheer Verschure, gaat U dan ook maar even zitten". Op deze plaats gebruikten wij de lunch. "Mijnheer Verschure ik vrees dat wij het niet drooghouden" zei hij naar de donkere, dreigende wolken wijzend. Ik antwoordde dat die wolken ons zeker niet zouden natregenen, wat hij ten sterkste betwijfelde. Ik kreeg gelijk. Het geologisch klapstuk dat ik in reserve had gehouden bracht Brouwer inderdaad tot vervoering. Het was een prachtige, grote ontsluiting van de overschuiving van migmatieten van het Rödingsfläll dekblad over de laag metamorfe serie kalkfyllieten, grafietschisten en marmers. "Waar doet U dit aan denken Mijnheer Verschure" zei de Oude" "Aan de feuilletée kalken van Lochseiten, Professor". Toen kon ik geen kwaad meer doen. "Mijnheer Verschure, hier moet een geoloog zijn hoed eerbiedig voor afnemen, ik zal dus mijn hoed op het verschuivingsvlak leggen". Ik klikte snel een foto toen hij ging zitten om alles rustig op zich in te laten werken. Toen wij weer thuiskwamen zette ik de Oude een ijskoud glaasje jenever voor dat ik voor deze gelegenheid uit mijn mond had gespaard. Het eten beviel hem weer goed en na afloop voelde hij mij uitvoerig over mijn terrein aan de tand. Ik produceerde kaarten, detailkaarten, beekopnames, profielen en handstukken en weerstond zijn ondervragingen. Toen sprak hij: "Verschure ik ben tevreden, ga nu voor mij nog een kop koffie halen". Toen hij de koffie voor zich kreeg zei hij: "Verschure, tja, niets zou zo goed zijn als wij er nog een glas cognac bij zouden kunnen drinken". Ik stond op pakte het heupflesje Remy Martin dat ik ook uit voorzorg voor hem had meegenomen, en schonk in. Hij nipte eraan de en savoureerde zijn teug langzaam en met groot behagen. Toen kwam de opmerking: "Wat zou een goede sigaar hier uitstekend bij op zijn plaats zijn". Weer een greep in mijn bagage en ik kon hem een mooie sigaar in een lange aluminium buis met schroefdopje offreren. Genietend van de cognac en de sigaar verhaalde de Oude over zijn leven. Eén verhaal uit zijn studententijd in Delft over zijn geniale, maar hopeloos aan drank verslaafde mentor is mij altijd bijgebleven. Vlak voordat hij te bed ging vroeg hij mij of ik op dit terrein niet bij hem wilde promoveren en of ik assistent bij hem wilde worden. Ik aanvaardde dit met graagte, hoewel ik wist dat hij aan het eind van mijn kartering op zijn 72e jaar met emeritaat zou gaan. Het was zijn laatste contrôle. - Van dit alles is niets gekomen, omdat ik het volgende jaar, gedwongen door allerlei omstandigheden, overhaast besloot mijn geluk in Canada te beproeven.- De volgende dag reisde Brouwer af, hij vroeg níet of ik zijn laarzen wilde meenemen naar Nederland.
Rob